Mijn moeder, dat is een verhaal apart. Ik druk me nog heel zacht uit als ik zeg dat ze geen evidente madame was. Als ik haar zou moeten omschrijven, dan zeg ik zonder verpinken: de keizerin van de Kersenlaan. Jawel: keizerin. Prinses of koningin zou ze zonder enige twijfel beneden haar waardigheid hebben gevonden. Zo’n madame dus.
Dat ze geen evident leven heeft geleid, staat als een paal boven water. Wat thuis bij haar ouders begon als het leven van een verwend strontje eindigde in een zeer complex huwelijk en een moeilijk te vatten vorm van verbittering.
Samen met haar zus was mijn moeder de jongste uit een gezin van acht broers en zussen. Haar zus en mijn mama waren vier handen op één buik want tussen hen en de twee oudste zussen zat een reeks van vier broers.
Uit de verhalen die ze vertelde over de Kersenlaan is me vooral haar naaimachine bijgebleven. Een Singer. Zo’n kastmodel met een trapper onderaan. Daarop naaide ze samen met haar zus huwelijksjurken voor de notabelen van de wijk. En in de zomer trok ze in een cabrio met haar vriendinnen naar Saint-Tropez. Die cabrio is waarschijnlijk aan mijn fantasie ontsproten maar toch. Ik heb me mijn moeder in die tijd altijd voorgesteld als een Brigitte Bardot avant la lettre.
En omdat aan alle mooie liedjes onvermijdelijk een einde komt, volgt meteen ook de anti-climax: Ons moeder trouwde met ons vader en verliet het ouderlijk huis om de winkel over te nemen van de schoonouders. Achteraf bekeken, was dat misschien niet de allerbeste zet. Ze was zonder enige twijfel beter in de buurt van haar moeder en haar zussen gebleven.
Het is deze maand 10 jaar geleden dat ze stierf. Laat me die verjaardag misschien gebruiken om haar te gedenken met de meest iconische carnavalskostuums die ik ooit uit mijn naaimachine tevoorschijn heb gestikt.
Ja hoor, ik zie die opgetrokken wenkbrauwen van jullie! Ik lees ook het onbegrip van jullie gezicht af. Hoe kan je zo van de hak op de tak springen? Hoe stap je in een enkele zin over van je overleden moeder naar carnaval? Wel, dat doe je zo.
Ons moeder had toch wel enigszins last van … laat het ons beleefdheidshalve … verzamelwoede noemen. Alles moest altijd bewaard want kon altijd nog wel eens van pas komen. Zo ook haar bontjas.
Die bontjas was een erfstuk van haar jongste zus. “Een echte nerts”, volgens mijn moeder. En die nerts hing nog steeds in alle pracht en praal in de hallkast van haar appartement toen ons moeder na een herseninfarct niet langer alleen kon wonen en naar een verzorgingstehuis moest verhuizen.
Toen ik het appartement tijdens een koude decemberdag aan het opruimen was, stootte ik dus ook op die fameuze nerts en vroeg me af wat daar in hemelsnaam mee moest gebeuren? We konden toch moeilijk, zoals met de rest van haar spullen, in de kringloopwinkel komen aandraven met een bontjas? Mijn zus, die ook altijd voor alles een oplossing voorhanden had, raadde me aan om die jas gewoon nog even te laten hangen. “Honden spelen naar het schijnt ook graag met zo’n pelsje”, merkte ze achteloos op, “maak er misschien een speelgoedje van voor uwe Tummel?”. Ik lag in een deuk en besloot wijselijk die jas inderdaad nog even te laten hangen. Maar het idee van die bontjas een tweede leven te geven, was daarmee wel geboren.
Wat volgde was: Carnaval. Of althans de aanloop daarnaartoe. Ieder jaar was dat weer een helse bedoening om een pak in elkaar gestoken te krijgen dat over de winterjas van mijn kinderen kon worden gedragen. Mijn charels zouden het anders presteren om bij een temperatuur van min vijf zonder jas over straat te lopen.
Ik had me een half jaar daarvoor al de pleuris gehaakt voor het chirokamp dat in het thema stond van de Vikings. De jongens waren op kamp vertrokken met elk een Vikinghelm – inclusief hoorns en een baard. Daar moest ik toch wat mee kunnen, niet?
Half januari verkaste die bontjas van het appartement van mijn moeder naar mijn keuken. De mouwen van die nerts werden een paar avonden later verwerkt tot twee paar beenverwarmers. De body van de nerts werd halverwege genadeloos horizontaal in twee geknipt. Het bovenstuk bleek een ideaal vest voor een jongetje van een jaar of acht en het onderste gedeelte werd mits wat knip- en naaiwerk omgetoverd tot een schitterende mouwloze bodywarmer voor een iets meer uit de kluiten gewassen tienjarige. Allemaal uit “echte” nerts.
Iedere dag stuurde ik zonder woord van uitleg een foto van mijn avondlijke activiteiten naar mijn zus. Ik weet niet wie het hardst gelachen heeft: zij of ik.
Maar toen mijn zus aan een vriendin van haar vertelde wat er met de bontjas van ons moeder was gebeurd, repliceerde die meteen: “Oh jee de dag dat die haar laatste adem uitblaast … Caroline gaat die jas terug helemaal in elkaar mogen zetten want ze gaat daarin begraven willen worden.”
