
Sinterklaas.
Wat is er magischer voor een kind dan Sinterklaas? Naar mijn gevoel kan zelfs de kerstman – Rudolf inbegrepen – de concurrentiestrijd met Sint en Piet absoluut niet in zijn voordeel beslechten. Alleen moet je jezelf af en toe in onvoorstelbaar veel bochten wringen om die illusie in stand te houden. Zoals op een avond, een vijftiental jaar geleden.
Als mijn geheugen me niet in de steek laat, moet mijn oudste zoon toen een jaar of vijf zijn geweest. Hij zat volgens mijn herinnering in het laatste kleuterklasje. Dat betekent dat mijn jongste zoon op dat moment een jaar of drie was. Afgaand op het gejoel dat van op de bovenverdieping kwam aanwaaien, zou dat kunnen kloppen. Onder het alziend oog van zijn papa ging zoonlief blijkbaar een bitse strijd aan met de woeste baren van het badwater. Ik ga even niet uitwijden over de toestand van de badkamer na die zeeslag. Ondertussen echter, zat mijn oudste zoon knusjes tegen me aangeschurkt in de zetel.
Mijn oudste is een dromer. Mijlen ver weg in gedachten verzonken, daar vertoeft het liefst. Zo ook deze avond. Tot op het moment, dat hij zich plots helemaal naar mij toekeert en met veel overtuiging in zijn stem zegt: “Mama, Sinterklaas … Dat is toch een oude man, niet? Een heel oude man toch?”
Niet wetend waar deze vraag zou eindigen, bevestig ik hem dat dat inderdaad het geval is. Waarop hij zonder verpinken vervolgt: “Dat is toch keigevaarlijk, dat zo’n oude man, in het midden van de winter, wanneer het vriest en sneeuwt, over die glibberige daken moet lopen in het holst van de nacht.”
Ik had op dat moment al kunnen vermoeden dat het vervolg niet van de poes zou zijn. Ik was beter met een leugentje om bestwil een machine vuile was gaan insteken. Helaas had ik me dat eerder moeten bedenken, want wat er volgde, kan ik alleen maar beschrijven als “van de pot gerukt”. Daar gaan we.
“Nu ja, Sinterklaas is dat wel gewoon hè, van samen met piet ieder jaar over die daken te moeten. Maar hoe raakt dat schimmel van de Sint eigenlijk van op ons dak tot op het dak van de buren?.” Op dat moment gingen voor mij alle lichten uit.
Daar zit je dan, knusjes in de zetel met een vijfjarige in je armen. Het is die kleuter die op dat moment beseft: een paard kan bij een open bebouwing bij ons, onmogelijk al springend een afstand van een meter of vijf tot aan het volgende dak overbruggen.
Ik kan mezef onmogelijk omschrijven als iemand die snel op haar mondje is gevallen. Wat ik je wel kan zeggen, is dat ik op dat moment met mijn mond vol tanden zat. Hoe reageer je op zo’n moment op de haarfijne analyse van dat ventje?
De zenuwen gierden me door de keel en mijn hersenen gingen in overdrive. Net toen ik écht een zinnig antwoord moest geven, werd ik van boven af gered met de dwingende oproep: “Je bad is klaar, kom je snel naar boven?”
De dankbaarheid die ik jaren gevoeld heb voor deze “goddelijke” interventie, is niet met woorden te omschrijven. Stel je toch voor dat die ukkepuk me van het gezicht had afgelezen dat ik hem blaasjes aan het wijsmaken was.
Maar boontje komt altijd om zijn loontje …
Een aantal jaren later, kom ik met mijn zoon terug van de volleybaltraining. Waarom hij omstreeks Pasen opeens met Sinterklaas in zijn hoofd zat, is me nog steeds een raadsel. Terwijl we met de auto de garage inrijden, vraagt hij me opeens geheel onverwachts en op de man af: “Mama, jij zegt toch altijd dat liegen niet mooi is hè? Leg mij dan eens uit waarom je mij al jaren vertelt dat Sinterklaas, ieder jaar, op één nacht tijd, bij alle kinderen overal ter wereld cadeautjes weet af te leveren. Dat kan toch gewoon niet?”
Hij heeft mijn antwoord niet afgewacht. Opeens was er ook het besef: “En die paashaas met zijn mandje vol gekleurde eieren … En al die klokken die vanuit Rome komen aanvliegen om chocoladen eieren in de tuin te droppen zonder dat die stuk vallen van zo hoog uit de lucht? Zou dat kunnen? Dacht het niet …”