Af en toe vervloek ik mezelf … Verwens ik mezelf omdat ik niet net iets langer heb stil gestaan bij momenten waarvan je meteen weet: “dit blijft me voor altijd bij, we schrijven hier een stukje geschiedenis”… Om een tijdje later te beseffen … dat je het alsnog vergeten bent …
Zo ook die ene avond, een week of wat voor Pasen, toen een nicht me via Facebook vroeg of ik dit jaar ook weer ging “vevveren?” Meteen werd ik meer dan 15 jaar terug gekatapulteerd in de tijd, naar een moment waarin ik me dagelijks door een slagveld van kleurboeken, kranen, racecircuits en autootjes moest banen om van de keuken achteraan in het huis tot in de hall vooraan te raken.

Lachend aan de afwas staan is in mijn geval meer uitzondering dan regel maar dat “vevveren” zorgde er die avond toch voor dat mijn gedachten in plezanter oorden vertoefden en dat dit vervelend jobke aangenamer verliep dan op andere dagen.
Mijn oudste kon eigenlijk al meteen perfect babbelen. Hij was er ook al heel erg vroeg bij. Acht maanden was hij toen vanuit zijn triptrap verwoede – maar tevergeefse – pogingen ondernam om zich uit die stoel omhoog te duwen tot dat hij aan het speelgoedje kwam dat net buiten zijn bereik op de keukentafel lag. Boos klopte hij even later met zijn twee vuistjes op tafel en riep zijn eerste onsterfelijke woordjes: “Hebben!” “Hebben, hebben, hebben.”
Bij mijn jongste verliep het babbelen net ietsje minder vlot. Ook snel genoeg, daar niet van, maar zijn geb(r)abbel vroeg beduidend meer fantasie en een woordenboek om begrepen te worden.
Diep in gedachten verzonken, verdween die glimlach plots als sneeuw voor de zon …
Het was weg … ècht weg, helemaal verdwenen … Mijn handen bleven volledig roerloos in het afwaswater hangen toen het besef tot me doordrong dat ik geen flauw idee meer had wat die woordjes ook alweer waren die mijn jongste zoon als ukkepuk van een jaar of drie nooit naar behoren kreeg uitgesproken …
Kortsluiting in mijn hoofd!
Stoom uit mijn oren …
Het geknetter moet van ver af te horen zijn geweest maar desondanks kwam er niks maar dan ook niks opgeborreld uit de diepste krochten van mijn brein.
Mijn oudste moet dat aangevoeld hebben want plots dook hij op achter mijn rug. Ik vermoed dat ik mezelf onbewust, hardop en in niet mis te verstane bewoordingen, moet hebben staan uitfoeteren want zijn gezicht toen hij vroeg: “Mama, is alles okay?”, sprak boekdelen.
Compleet van de kaart vertelde ik hem dat ik helemaal vergeten was wat die woordjes ook alweer waren die zijn kleine broer als kind nooit fatsoenlijk uitgesproken kreeg.
“Bedoel je zavveltje (zalfje)? Of wovvel (wolf) of vevveren (verven) of de sheffir (sherrif)?”
Het gevoel dat op zo’n momenten door je aderen bruist, is onbeschrijflijk. Ik had mijn zoon wel om zijn nek kunnen vliegen van puur geluk en dankbaarheid. Maar ik hield me in, want mama: “knuffelen, dat is gênant.”