Een trapladdertje. Bij nader inzien denk ik dat mijn leven een heel stuk gecompliceerder zou zijn zonder trapladdertje. Ze doen het er echt om, want zo goed als alles wat ik nodig heb uit bijvoorbeeld de supermarkt staat op het bovenste schap. Ik ben nog nèt niet in de fase dat ik aan de ingang van de winkel ostentatief het welbekende oranje trapje in mijn winkelkar keil zodat ik permanent eentje bij de hand heb tijdens mijn wekelijkse strooptocht. Het zou het aantal kilometers dat ik per rayon terug moet lopen om een trapje te gaan halen in allegeval drastisch verminderen.
Sinds afgelopen week is onze kippenren terug een kiekenskot die naam waardig. Nadat de pokken in het najaar ons Perla tot wees hadden gemaakt door de rest van haar familie naar het Koninkrijk der Cochingelen te verwijzen, vond ik sinds enkele weken de tijd toch rijp geworden om op zoek te gaan naar wat nieuwe familieleden voor ons prinses. Ondanks het verlies van haar vriendje en vriendinnetjes had ze zich na een aantal weken nochtans aardig goed gesettled in haar status van opperheerseres van de kippenren.
Maar uiteindelijk is alleen ook maar alleen en speurde ik sinds een paar weken allerhande kippensites en Facebookgroepen af op zoek naar “kipjes naar mijn goesting”. En jawel … op zich is het waar … en is een kip toch ook maar een kip … Alleen gaat die vlag zo niet op bij mij. Voor mij mag het oog ook wat hebben: mooie kipjes dus.
Al weken werden er cochin krieltjes aangeboden, maar nét niet hetgeen waar ik mee in mijn hoofd zat. Ik moest en zou opnieuw een rood gevederde hen hebben. Haar naam stond al vast nog voor ik terug met mijn speurtocht begonnen was: Róża (Roosje in het Pools, uitgesproken als “Roezja”). Onze vorige acajou-hen had ik, bij gebrek aan een beter alternatief, Sophía gedoopt. En raar maar waar, de dag dat ik haar op haar rug liggend terugvond in het kippenhok – ze was die nacht precies morsdood van haar stok af gevallen – stond meteen vast dat ik opnieuw zo’n acajouke wilde hebben en dat dat een Róża zou worden.
Omdat er maar niks naar mijn smaak op de proppen kwam, heb ik begin deze week op goed geluk een berichtje gestuurd naar de dame waar ik vorig jaar ons Sophía gekocht had. Zij bleek spijtig genoeg geen hennen meer in de aanbieding te hebben maar was wel nog op zoek naar een nieuwe thuis voor een prachtig haantje dat ze nog op overschot had.

En alsof het zo moest zijn verscheen er afgelopen woensdag als een duveltje uit een doosje een advertentie op 2dehands waarin 6 supermooie cochin kriel hennen werden aangeboden. Diezelfde dag nog was het zaakje beklonken en ’s avonds, toen de duisternis net was in gevallen, zijn Róża en Kasia (“Kasja”) bij Perla ingehuisd: geen gekrijs en getier, geen huiselijk geweld maar volledige rust. Toen ik een uurtje of wat later ging piepen, bleek Róża zich al helemaal tegen Perla aangeschurkt te hebben op één van de stokken. Kasia zat ietsje meer afwachtend onder de stokken maar alles was “peis en vree”.
Ook de dag nadien was de sfeer al bij al vrij gemoedelijk en vertoefden de dames vrijwel continue in elkaars buurt. Toen ik ’s avonds ging kijken of er truken van de foor nodig waren om de hennen in hun nachthok te krijgen, bleken ze alle drie al gemoedelijk op hun stok te zitten voor de nacht. Wat kan een mens zich nog meer wensen?
Awel … Een haan: den Bogusz (“Bogoesj” met de g van het Franse garçon). Zeg nu zelf, als je beslist om je hennen Róża en Kasia te noemen moet je de rest ook een Slavische naam aanmeten: Perla werd omgedoopt tot Perlowa en voor de haan werd het lekker stoer “Bogusz”.
Ik had ondertussen de dame in kwestie al laten weten dat ik haar haantje gerust een nieuwe thuis wilde geven met drie prachtige dames om zijn harem te vervolledigen. Vrijdagmiddag ontpopte den Bogusz zich al meteen tot king of the coop: de dames draaiden zodanig rond zijn gat dat je zijn ego zienderogen zag groeien. Alleen bleek hij bij het vallen van de avond niet te begrijpen hoe hij in ons nachthok annex paalwoning moest raken.
Toen ik hem bij valavond een handje wilde gaan helpen, bleek hij het zich al knus gemaakt te hebben halverwege de vlier, nét buiten het bereik van het “meterke-zesenvijftig” dat hem in zijn hok moest zien te krijgen …
Met Blanche-Da-Bitch nog vers in het geheugen, stond het als een paal boven water dat ik écht niet nog eens een hele vrijdagavond wilde spenderen aan een kippenkoers.
Ik heb mezelf de kans niet gegeven om te gaan stressen over het feit dat den Bogusz misschien lelijk tegen me ging doen, ik heb de gedachten geblokkeerd die in de richting liepen van “wat als ik hem toch niet te pakken krijg” en ben met vastberaden tred de ladder uit het tuinhuis gaan halen.
Een schietgebedje later stond ik boven op die ladder mezelf een weg te banen tot bij Bogusz om vervolgens nét niet op mijn gezicht te gaan omdat de ladder op een net iets te onstabiele ondergrond stond. De ladder bleef alsnog staan met mij erop en Bogusz had gelukkig geen krimp gegeven. Opnieuw een schietgebedje. Vervolgens een zucht, dieper dan de diepste zee. Ik wrong mijn handen tussen de takken van de vlier door, nam Bogusz met beide handen stevig vast, probeerde niet onder de indruk te raken van zijn gespartel terwijl ik mijn balans moest blijven bewaren op die vervloekte wankele ladder. Tot mijn eigen grote verbazing raakte ik veilig alle zes de treden af en had ik op de begane grond Bogusz ook nog steeds stevig in mijn handen.
Laat ons alsjeblieft hopen dat Bogusz er eentje is met beauty én brains zodat hij morgen wijselijk het nachthok in raakt voordat het elektrisch deurtje sluit want ik zie mezelf dit niet nog een keertje opnieuw doen. Ik ben écht geen held in die dingen.
“Waarom ik er in hemelsnaam een haan bij zou nemen”, vroeg één van mijn kennissen me vanmiddag nog nadat ik vol trots foto’s van mijn nieuwe aanwinsten gedeeld had.
Zucht …
Ik heb me ondertussen toch ook weer even dezelfde vraag gesteld.