Meer dan eens heb ik me, tijdens mijn speurtochten op het wereldwijde web naar het ultieme recept voor vlierbloesemsiroop, afgevraagd waarom je vlierbloesems maar 24 uur in water mag laten trekken voor je er siroop van maakt, terwijl je de bloesems wel een maand in de azijn mag laten zitten voor je daar wat mee doet. Sinds gisteren spreek ik uit eigen ondervinding als ik zeg dat ik ondertussen weet waar dat aan ligt.

In de berging heb ik sinds een dag of tien twee bokalen van een liter staan, waarin stukjes rabarber heel hard hun best aan het doen zijn om smaak af te geven aan de gin die erbij gegoten is. Die twee bokalen keer ik elke dag een keertje om, zodat de rabarber gemotiveerd blijft om smaak af te geven.
Naast die 2 bokalen stond sinds maandagavond ook een bokaal gevuld met water en vlierbloesems. Wegens gebrek aan tijd en goesting, dacht Miss Eigenwijs op dinsdagavond dat die vierbloesems het nog wel even zouden uithouden in het water. Tegen woensdagavond stelde ik vast dat het zacht lichtgeel gekleurde water ondertussen heel wat troebeler was geworden en op donderdagmorgen was ik maar wat blij dat de potten op een stevige doek waren neer gezet want blijkbaar droop er wat vocht langs de bokaal naar beneden. De dop zal er niet stevig genoeg op gezeten hebben zeker?
“Les excuses sont faites pour s’en servir” zeggen de Fransen en dat is een waarheid als een koe want Miss Eigenwijs wist zelf goed genoeg dat ze altijd alles voor de eeuwigheid vast draait, knoopt, bindt of naait, dus ook die fameuze dop.
Veiligheidshalve heb ik die bokaal even later toch maar naar de wasbak in de garage verhuisd alvorens hem open te draaien. Vlierbloesems blijken namelijk wel heel erg snel te gaan gisten dus zodra het deksel van de pot af was, steeg er een wit-geel gekleurde schuimende massa uit omhoog.
Ik stond op slag terug in de tuin van onze buurvrouw Madame Jans, vermoedelijk ergens rond het jaar 1980. Samen met de kleinzoon en -dochter van die dame, stonden we daar voor de zoveelste keer over een geblutste ijzeren ketel gebogen die was gevuld met alles wat er aan viezigheid in de tuin te vinden was: zand, onkruid, gras, fijn gescheurde rabarberblaren en een regenworm als we veel geluk hadden. Dat alles moest verplicht ook nog eens overgoten zijn met regenwater dat we stiekem met zo’n ouderwetse handpomp hadden opgepompt.
Om de beurt waren we verantwoordelijk om de heksensoep al roerend aan de kook te krijgen en vroegen we ons af welk ingrediënt er nog nodig was om ons soepje aan het borrelen te krijgen. Nooit gedacht dat dat geheim zich pas veertig jaar later zou prijsgeven.